Er bestaan nogal wat speciale woorden rondom 'de deur'. Om u een beetje wegwijs te maken in deze deurtaal hier een lijstje van vaak voorkomende termen die te maken hebben met deuren en hang- en sluitwerk.

 

Afhangen
Het precies pas maken en aan de scharnieren bevestigen van een deur. Meestal hoort het afmonteren van het sluitwerk (deurkrukken, sloten) hier ook bij (draaiklaar opleveren).

 

Architraaf
Sierlijst op een deurkozijn om de deur te voorzien van een fraaie omlijsting. In combinatie met bijpassende plinten en andere decoratieve elementen (sierstucwerk enz.) kunnen architraven veel bijdragen aan de totale sfeer en uitstraling van een kamer.

 

Beslag
Verzamelnaam voor het hang- en sluitwerk van een deur. Ook worden de scharnieren en paumellen hiertoe gerekend.

 

Bovendorpel
Bovenste, horizontale deel van een deurkozijn.

 

Bovenlicht
Het raam boven een (voor)deur.

 

Briefplaat
Meestal metalen klep in de voordeur om post door te laten. Kan gecombineerd worden met een tochtplaat om koudevlagen tegen te gaan.

 

Dag, dagmaat
De binnenkant van een kozijn of raamwerk, binnenwerks gemeten. 'In de dag gemeten' wil dus zeggen: van kozijn tot kozijn (horizontaal) en van grond/drempel tot bovendorpel (verticaal). Dit zijn de maten die u nodig heeft als u een nieuwe deur bestelt. De dagmaat (van een enkele deur) is dus de vrije doorgang gemeten tussen de kozijnstijlen, oftewel de deurbreedte plus twee keer de sponningdiepte.


Deurdorpel
De rand (meestal van massief hout) aan de onderzijde van een deur met houten of glaspanelen.

 

Deurposten
De twee verticale delen van een deurkozijn.


Deurstijl
De rand (meestal van massief hout) aan de zijkanten van een deur, rondom het deur- of glaspaneel.

 

Dorpel
Is hetzelfde als een drempel, de verhoging onder een deur. Drempels/of dorpels worden vaak gebruikt om verschillende ruimtes van elkaar te scheiden. Maar ze kunnen ook ontbreken, bijvoorbeeld in woningen die toegankelijk moeten zijn voor rolstoelen.


Hangzijde
De kant van de deur waar de scharnieren zitten.

 

Kozijn
Het raamwerk rondom een deur (of raam). De verticale delen heten deurposten of kozijnstijlen. Het bovenste horizontale deel van een deurkozijn heet bovendorpel, het onderste deurdorpel.

 

Opdekdeur
Een opdekdeur heeft een verdunde overstek aan de slotzijde van de deur, waarmee hij gedeeltelijk over een inspringend kozijndeel valt.

 

Paneel
Meestal rechthoekig of vierkant vlak in een deur. Deurpanelen kunnen van hout zijn of van glas of glas-in-lood.

 

Paumelle
Soort scharnier met vaste pen, zoals gebruikt bij opdekdeuren, waardoor deze gemakkelijker uit de scharnieren zijn te lichten (je hoeft niet eerst de pennen eruit te tikken).

 

Profiel
Een verdikking of ribbel in de deur. Profilering ontstaat ook doordat bijvoorbeeld de deurstijlen en dorpel dikker zijn dan de tussenliggende deurpanelen.

 

Rozet
Sierstuk op de deur, rondom de deurkruk, meestal rond of vierkant.

 

Scharnier
Constructie van twee stukken metaal die in elkaar grijpen en met een doorlopende pen zijn verenigd. Het ene stuk metaal is bevestigd aan het kozijn, het andere aan de hangzijde van de deur. Hierdoor kan de deur draaien binnen het kozijn.

 

Schild
Langwerpige, meestal metalen plaat op een deur, verticaal gemonteerd rondom de deurkruk. Een korte plaat heet een kortschild, een lange plaat een langschild. Schilden zijn met name noodzakelijk bij deuren met een (toilet)slot. De slotopening of het beletvenster bevinden zich dan in het schild.


Sluitzijde
De kant van de deur waar de deur in het slot valt.

 

Sponning
De uitsparing in een kozijn die de deur keert waar deze in het slot moet vallen.

 

Stomp
Een stompe deur valt volledig binnen het deurkozijn.